Nooit te oud om gehoord te worden!

 

 

 

Nooit te oud om gehoord te worden!

 

Ouderenbeleid 2013 -2016 gemeente Mill en Sint Hubert

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mill en Sint Hubert

Februari 2013

 

Prof. dr. M.J.M. Kardol

 

 

 

  1. Inleiding

De raad van de gemeente Mill en Sint Hubert heeft in 2011 het college van B & W de opdracht gegeven om het ouderenbeleid voor de jaren 2013-2016 te ontwikkelen. In een nota ouderenbeleid is, zo staat vermeld in het voorgestelde besluit, het evenwicht tussen de wensen van de ouderen en de (financiële) verantwoordelijkheid van de gemeente een belangrijk aandachtspunt.

Om een goed beeld te verkrijgen van de wensen en behoeften van ouderen van de gemeente Mill en Sint Hubert is in de loop van 2012 een behoefteonderzoek onder senioren gehouden. 368 ouderen vanaf 60 jaar hebben aan dit onderzoek deelgenomen en dit aantal was voldoende om van een representatieve steekproef te kunnen spreken.

De nota ouderenbeleid draagt de titel ‘Nooit te oud om gehoord te worden!’. De gemeentelijke beleidsvoornemens op het gebied van ouderenbeleid zijn niet in de laatste plaats een reactie op het behoefteonderzoek, dat op 19 december 2012 in Myllesweerd is gepresenteerd. Bijna 400 ouderen hebben middels dit onderzoek hun stem laten horen. De gemeente Mill en Sint Hubert is hen daar niet alleen dankbaar voor, opvattingen en reacties van de ouderen staan ook aan de basis van diverse beleidsvoornemens in deze nota.

In het vroege voorjaar 2011 verscheen de nota “Storm: voorbode van de lente’. Het ging om de eindrapportage voor de verankering van het project Ouderenproof van de Stichting Ouderenbeleid Regelen Mill en Sint Hubert (STORM). In dit fraaie rapport is een stevig fundament voor ouderenbeleid gelegd. Waar mogelijk en nodig hebben gegevens uit die eindrapportage direct of indirect een plek gekregen in deze nota ouderenbeleid.

Van belang is op te merken dat het realiseren van beleidsvoornemens op het gebied van ouderenbeleid een zaak is van meerdere betrokkenen. Zoals in het Regionaal Wmo-beleidsplan 2012-2015 is verwoord, gaat het in de eerste plaats om het mobiliseren van de kracht van de oudere zelf en van diens relaties en omgeving. Daarenboven mag ook van maatschappelijke organisaties en van de gemeente een bijdrage worden verwacht waar het gaat om het creëren van voorwaarden en het bieden van ondersteuning om de oudere burger zo goed mogelijk te laten leven in de lokale gemeenschap.

In deze nota wordt allereerst geformuleerd wat het ouderenbeleid van de gemeente Mill en Sint Hubert beoogt te realiseren. Vervolgens wordt beschreven wat in meer algemene zin ondernomen moet worden om het doel van het ouderenbeleid te bereiken. Op basis daarvan worden concrete beleidsaanbevelingen geformuleerd en wordt de aanpak of implementatie beschreven, met inachtneming van financiële voorwaarden en een gerichte communicatie van het ouderenbeleid.

De inhoud van deze nota is tot stand gekomen op basis van een interactief proces in een klankbordgroep. Deze groep is in de periode december 2012 tot februari 2013 viermaal bijeen geweest. De wethouder en beleidsmedewerker ouderenbeleid van de gemeente, alsmede vertegenwoordigers van KBO’s, van de dorpsraad Langenboom, van SWOM, Radius, het Senioren Hobby Centrum (SHC), van PGM en van een fysiotherapiepraktijk hebben bouwstenen aangedragen voor deze nota Ouderenbeleid. De participatie van genoemde partijen houdt niet op met de voorbereiding van deze nota. Bij het tot stand brengen van het ouderenbeleid, alsmede bij de bewaking van de voortgang, zullen genoemde partijen een actieve rol vervullen.

  1. Waarom ouderenbeleid en wat wordt er mee beoogd?

2.1 Inleiding

De gemeente Mill en Sint Hubert heeft een tamelijk unieke stap gezet door haar besluit een nota Ouderenbeleid te gaan ontwikkelen. De afgelopen 15 tot 20 jaar hebben gemeenten in Nederland het zogenoemde ‘categoraal beleid’ verlaten en zijn overgegaan tot het formuleren van integraal beleid. Het formuleren van beleid voor doelgroepen zoals ‘jeugd’, ‘volwassenen’ en ‘ouderen’ werd niet langer nodig geacht en in de Wet maatschappelijke ondersteuning is dit denken voortgezet door te spreken over prestatievelden die de aandacht verdienen, in plaats van te focussen op bepaalde groepen uit de samenleving voor wie beleid zou moeten worden ontwikkeld.

In dit hoofdstuk zal worden stilgestaan bij veranderingen in de Nederlandse samenleving die het begrijpelijk maken waarom het ontwikkelen van gemeentelijk ouderenbeleid van belang en noodzakelijk is. Vervolgens zal de visie op ouderenbeleid worden geformuleerd. Duidelijk zal worden gemaakt wat betrokken partijen in de gemeente Mill en Sint Hubert met het ouderenbeleid voor ogen hebben.

 

2.2 Veranderingen in de Nederlandse samenleving

De komende twee decennia zullen lokale samenlevingen er veel anders uit zien dan ze decennialang hebben gedaan. Een aantal factoren, die hier verder worden toegelicht, is hier verantwoordelijk voor:

  1. Demografische ontwikkelingen: steeds meer ouderen in de samenleving

  2. Een toename van de levensverwachting

  3. Andere gezinsverbanden

  4. Langere arbeidsparticipatie en de pensioneringsleeftijd gekoppeld aan de levensverwachting

  5. Stijgende kosten voor de chronische zorg

  6. Herinrichting van de sector ouderenzorg:

  7. Veranderingen in de verantwoordelijkheid van de overheid

  8. Toenemend beroep op saamhorigheid en solidariteit

  9. Toenemend beroep op gezond leven

  10. Verschuivingen in de woningmarkt: meer oud worden in het eigen huis

  11. Het ‘ouderenvriendelijk’ maken van de openbare ruimte

Ad. 1. Demografische ontwikkelingen: steeds meer ouderen in de samenleving

De gemeente Mill en Sint Hubert groeit, evenals vele andere Nederlandse gemeenten, toe naar een situatie dat één op de vier van haar inwoners 65 jaar en ouder is. Maar ook ontgroening, oftewel het wegtrekken van jongere mensen naar plaatsen waar meer onderwijsmogelijkheden zijn of waar het aanbod aan arbeidsplaatsen groter is, heeft een invloed op de veroudering in de gemeente mill en Sint Hubert.

 

Ad. 2. Toename levensverwachting

De levensverwachting van de Nederlanders is de afgelopen 25 jaar met enige jaren gestegen en zal dat ook de komende 25 jaar weer doen, naar ongeveer 90 jaar. De Verenigde Naties maken de schatting dat er op de wereld rond 2050 meer dan 3 miljoen honderdjarigen zijn, tien keer zoveel als nu. Dit betekent dat de levensfase ouderdom een steeds groter deel van het leven uitmaakt en dat ook de diversiteit onder de groep ouderen toeneemt. Eén op de vier ouderen zal straks de leeftijd hebben van 80 jaar of ouder. Een groot deel van de ouderen heeft de laatste paar jaar voor het levenseinde veel hulp of zorg nodig, maar het overgrote deel van de ouderen beleeft de levensfase ouderdom overwegend vitaal en zonder ernstige beperkingen, zoals ook uit het behoefteonderzoek valt op te maken.

Ad. 3. Andere gezinsverbanden

De vergrijzing van de samenleving is mede het gevolg van een teruglopend geboortecijfer in de Nederlandse samenleving. Anno 2013 ligt dit rond de 1.7, hetgeen betekent dat een ‘gemiddeld gezin’ minder dan 2 kinderen heeft. In Mill en Sint Hubert hebben ouderen in de leeftijdscategorie 60-69 jaar 1.97 kinderen, die van 80 jaar en ouder 3.72. Door het lagere geboortecijfer, een toename van het aantal echtscheidingen en een, vaak daarmee gepaard gaande, afnemende verbondenheid tussen ouders en kinderen, door een groeiende groep ouderen die alleenstaand is en door een sterk beroep op het langer deelnemen aan de arbeidsmarkt, loopt de komende decennia de beschikbaarheid van mantelzorg met enige tientallen procenten terug.

Ad. 4. Langere arbeidsparticipatie en pensionering gekoppeld aan de levensverwachting

Op dit moment neemt minder dan één op de vier ouderen nog deel aan de arbeidsmarkt. Met het oog op de demografische ontwikkeling vormt een lage arbeidsparticipatie onder ouderen een bedreiging voor de continuering van sociale zekerheid en van het recht op zorg. Om die reden is de pensioenleeftijd sinds kort gekoppeld aan de levensverwachting. Het wordt onaantrekkelijk om vóór de leeftijd van 65 jaar uit het arbeidsproces te stappen en het wordt aantrekkelijker gemaakt om langer dan het 65-ste levensjaar te blijven werken. Langer doorwerken betekent immers een langere afdracht van premies en een latere inning van AOW en pensioengelden.

Ad. 5. Stijgende kosten voor de chronische zorg

Zoals opgemerkt heeft een toename van het aantal ouderen, en met name van oudere ouderen die zorg behoeven, ook tot een toename van zorgconsumptie tot gevolg, zeker in absolute zin. Bij ongewijzigd beleid zullen de kosten voor de chronische ouderenzorg fors stijgen en een hogere premieafdracht ter zake AWBZ en/of de verzekering van ziektekosten tot gevolg hebben.

Ad.6. Herinrichting van de sector ouderenzorg

Een hogere premieafdracht voor onverzekerbare gezondheidsrisico’s, een hogere eigen bijdrage hieraan, of het uit het pakket van de collectieve financiering halen van gezondheidsvoorzieningen en het verplaatsen hiervan naar de Zorgverzekeringswet, heeft gevolgen voor het besteedbaar inkomen van de burger en daarmee voor de economie en de concurrentiepositie van Nederland. In Nederland is er, vanwege de onwenselijkheid van een dergelijk scenario, voor gekozen om de drempel tot AWBZ-zorg op te hogen en de toegang tot Wmo-producten te beperken. Concreet betekent dit dat zorgbehoevende burgers nu en in de toekomst langer verstoken zullen blijven van professionele zorg en meer zijn aangewezen op zichzelf en op een sociaal netwerk. Zo is in 2013 een start gemaakt met het opheffen van het verzorgingshuis als intramurale zorginstelling voor ouderen en zal vanaf 2014 de toegang tot professionele huishoudelijke zorg fors bemoeilijkt worden. Ook voor de zorginstellingen zullen de gevolgen merkbaar zijn: verzorgingshuisappartementen zullen worden ‘omgezet’ of aangeboden als huurappartement of, in beperkte mate, worden omgebouwd tot verpleeghuisappartement. De thuiszorgmedewerker zal zich, veel meer dan nu het geval is, moeten richten op wijk- en buurtzorg en een voorlichtende, instruerende en adviserende rol gaan vervullen voor de zorgbehoevende oudere en voor de informele zorgverleners.

Ad. 7 Veranderingen in de verantwoordelijkheid van de overheid

De rijksoverheid voert al jaren een beleid van decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden naar de lokale overheid. Een sprekend voorbeeld hiervan is de totstandkoming van de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Wmo, die in 2007 van kracht is gegaan. De komende jaren zal het Wmo pakket verder worden uitgebreid, waarbij zorgfuncties die nu nog onder het AWBZ pakket vallen, deel gaan uitmaken van de Wmo. De lokale overheid voert op haar beurt een beleid dat gericht is op het versterken van de kracht van de burgers en op die van maatschappelijke organisaties. Onderwerpen als ‘de transitie’ en ‘de kanteling’ krijgen in dit kader alle aandacht en wijzen op een verschuiving van verantwoordelijkheden van de (lokale) overheid naar de burger, naar het netwerk van de burger en naar maatschappelijke organisaties, waarbij de gemeente maatregelen dient te treffen om die verschuiving van verantwoordelijkheden te begeleiden en mogelijkheden tot compensatie heeft als de noodzaak daar is.

Ad. 8. Toenemend beroep op solidariteit en saamhorigheid

In het tijdperk dat we zijn ingegaan, wordt een toenemend beroep gedaan op solidariteit en saamhorigheid. Een langere deelname aan het arbeidsproces door oudere werknemers is noodzakelijk om de lasten van onze sociale zekerheid niet neer te leggen bij de jongere generaties. Het verrichten van maatschappelijke taken door ouderen is van belang om de samenleving draaiende te houden en de verantwoordelijkheid voor het eigen leven en dat van hulpbehoevende ouderen niet exclusief neer te leggen bij de overheid. Het verrichten van vrijwilligerswerk is een maatschappelijke taak, die nu al door ongeveer 40 procent van de ouderen uit Mill en Sint Hubert wordt gedaan, zo blijkt uit het behoefteonderzoek, maar waarvoor nog een groter potentieel nodig is. Het accent zal daarbij sterker dan tot nu komen liggen bij gemeenschapszorg, bij het dichten van hiaten die ontstaan door een hoge drempel tot professionele zorg. In het behoefteonderzoek wordt zichtbaar dat Mill en Sint Hubert een gemeente is waar mensen elkaar opzoeken, burencontacten veelvuldig en naar genoegen plaatsvinden en waar één op de drie ouderen hulpbehoevende familieleden, kennissen of buren helpt of steun biedt.

De intramurale ouderenzorg zal met het verdwijnen van verzorgingshuizen een moeilijk te bereiken voorziening worden. Voor hulp bij de huishoudelijke verzorging, de persoonlijke verzorging en de mobiliteit zal meer en meer een beroep worden gedaan op familieleden, kennissen en buren. Professionele welzijns- en zorginstanties zullen een belangrijke rol moeten gaan vervullen in het geven van trainingen of instructies aan mantelzorgers en vrijwilligers en in het geven van meer specialistische ondersteuning aan de kwetsbare oudere. Voor het welslagen van een goede mix van gemeenschapszorg en professionele zorg is nodig dat de diverse partijen op de hoogte zijn van elkaars inbreng, mogelijkheden en deskundigheden.

Ad. 9. Toenemend beroep op gezond leven

Onderzoek naar het ontstaan van zogenoemde ouderdomsziekten toont aan dat gezond leven, met name regelmatige lichaamsbeweging, een belangrijke invloed heeft op lichaam en geest. Zo is bekend dat lichaamsbeweging remmend werkt op afnemende spierkracht en een positieve invloed heeft op het evenwicht c.q. tot minder valincidenten leidt. Lichaamsbeweging in relatie tot mentale inspanningen, zoals dansen, koersbal, jeu de boules of het gebruik maken van bepaalde bewegingsapparaten, hebben een sterk remmende werking op het ontstaan van dementie. Met het oog op de sterke veroudering van de samenleving en de kosten die samenhangen met een hoge zorgconsumptie mag van de oudere een gezonde leefwijze worden gevraagd en is het de rol van maatschappelijke instanties en de overheid om voorwaarden te scheppen die een gezonde leefwijze helpen bevorderen.

Ad. 10. Verschuivingen in de woningmarkt: meer oud worden in het eigen huis

De oudere uit Mill en Sint Hubert heeft bijna heel zijn leven in deze gemeente gewoond en wil er ook blijven wonen, niet in de laatste plaats vanwege de intensieve contacten met de buren. Om die reden is het van belang de push-factoren, oftewel de redenen waarom de oudere wil verhuizen, zoveel mogelijk weg te nemen. Verhuisgeneigdheid onder ouderen is meestal ingegeven door gebreken in de huidige woning of door de aantrekkelijkheid van een nieuwe omgeving, waarin deze gebreken worden opgeheven. Veel ouderen, zo blijkt uit het behoefteonderzoek, willen het liefst niet verhuizen en zien graag dat belangrijke voorzieningen dichtbij hun huis beschikbaar of bereikbaar zijn. Obstakels in of rond de woning kunnen een verhuismotief zijn, het ontbreken van vertrouwde contacten is niet zelden een reden om te verhuizen en gevoelens van sociale onveiligheid en verkeersonveiligheid kunnen de bestaande woonsituatie van ouderen eveneens onaantrekkelijk maken. Het kunnen gaan wonen dichtbij winkelvoorzieningen of bij leeftijdgenoten, alsmede het kunnen betrekken van een obstakelvrije woning zijn voor ouderen vaak positieve motieven om te gaan verhuizen. In Mill en Sint Hubert blijkt dat het gaan wonen bij de kinderen voor een aantal oudere ouderen ook een serieuze optie is. De vraag is hoe aantrekkelijk vrijkomende verzorgingshuisappartementen voor ouderen zullen zijn om er te gaan wonen. De vraag is eveneens welke gevolgen het blijven wonen in de eigen woning heeft voor de doorstroom op de woningmarkt.

Ad. 11. Het ‘ouderenvriendelijk’ maken van de openbare ruimte

Een gemeente die een groot aantal ouderen binnen haar grenzen heeft, zal daar bij de inrichting van de openbare ruimte rekening mee dienen te houden. Uit het behoefteonderzoek in Mill en Sint Hubert, maar ook uit behoefteonderzoeken bij andere gemeenten, wordt duidelijk dat onderwerpen als verkeersveiligheid, sociale veiligheid, mobiliteit, de beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en een herkenbare identiteit van de woonomgeving belangrijke items zijn. Ervaren verkeersdrukte, het gebrek aan veilige voetgangersoversteekplaatsen die naar belangrijke voorzieningen leiden en een slechte staat van trottoirs en voetpaden verdienen de aandacht. De beschikbaarheid van rustbanken, de bereikbaarheid van openbare toiletten, goede straatverlichting, het voorkomen van verloedering en rotzooi in de openbare ruimte, een regelmatige surveillance van de politie of buurtbeveiliging hebben een positieve invloed op maatschappelijke participatie van ouderen. Een toenemende mogelijkheid van online contacten voor welzijns- en zorgdiensten, een gemakkelijk bereikbare mogelijkheid van vervoer naar (winkel)voorzieningen, alsmede een zorgaanbod dat dichtbij de woonplek van ouderen is gehuisvest of georganiseerd, dragen er zorg voor dat ouderen lang(er) op de plek kunnen blijven wonen die hun voorkeur heeft.

De sterke toename van ouderen die niet in staat zullen zijn in hun eigen woning te kunnen blijven wonen, vraagt om een grotere diversiteit aan woonmogelijkheden voor ouderen. In ‘Brabants gemeentelijk dementiebeleid anno 2012 in beeld’ staat vermeld dat in Brabant in 2030 ongeveer 60.000 mensen met dementie wonen. Veel van deze mensen zullen thuis blijven wonen, ondersteund door mantelzorgers of andere informele hulpverleners. In genoemd document staat aangegeven aan welke eisen gemeenten moeten voldoen om als ‘dementieproof’ te worden aangemerkt. Zo worden aandacht voor de mantelzorger, voor de kwaliteit van de woning en voor het kunnen mobiliseren van hulpdiensten als criteria genoemd. Voor wat betreft de inrichting van de openbare ruimte moet een criterium worden toegevoegd, te weten de herkenbaarheid van de directe omgeving. Als een grotere groep mensen met dementie ‘gebruiker’ wordt van de openbare ruimte, dan zullen, omwille van de oriëntatie, openbare ruimten een herkenbare identiteit moeten krijgen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3. Visie op ouderenbeleid

Visie op ouderenbeleid

De geschetste ontwikkelingen zijn voor de gemeente Mill en Sint Hubert aanleiding om voor de periode 2013-2016 een ‘drie sporen beleid’ te bewandelen, dat tot doel heeft ouderen zo lang mogelijk gezond te laten zijn, hen een zinvolle en volwaardige rol te laten spelen en hen te laten bijdragen aan een prettig woon- en leefklimaat in de lokale samenleving. Het gaat daarbij om:

  1. Het stimuleren van zelfredzaamheid van ouderen

  2. Het stimuleren van deelname van ouderen aan maatschappelijke verbanden en activiteiten

  3. Het stimuleren van saamhorigheid en solidariteit tussen (oudere) burgers

Ad. 1. ‘Het stimuleren van zelfredzaamheid van ouderen ’, oftewel het er aan bijdragen dat ouderen zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen, is een eerste vereiste. De levensfase ouderdom omvat ongeveer een derde deel van het leven. Omwille van het beteugelen van de kosten van de gezondheidszorg, maar belangrijker nog omwille van de kwaliteit van leven, is het zaak dat deze levensfase in goede gezondheid wordt doorgebracht. Uit Europees onderzoek blijkt dat regelmatige lichaamsbeweging door ouderen de kans op hartaandoeningen en type 2 diabetes met 50% vermindert en dat het een positieve invloed heeft op de hersenfunctie. Ook het aantal valincidenten, waar in de gemeente Mill en Sint Hubert tussen de 19 en 32% van de senioren jaarlijks mee te maken heeft, wordt teruggebracht als meer aandacht wordt besteed aan het trainen van de spieren en van het evenwicht.

Ad. 2 ‘Het stimuleren van deelname van ouderen aan maatschappelijke verbanden en activiteiten’, oftewel er mede voor zorg dragen dat ouderen, die niet meer aan het arbeidsproces deelnemen, gaan of blijven deelnemen aan het verenigingsleven, vrijwilligerswerk en/of mantelzorg verrichten of op andere wijze maatschappelijk actief zijn. Uit het behoefteonderzoek komt naar voren dat ongeveer één op de drie ouderen van de gemeente Mill en Sint Hubert, met name de jongere ouderen met een lager inkomen, het gevoel heeft niet meer mee te tellen in de lokale samenleving. Het niet langer kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt en het missen van een goed alternatief is daar in veel gevallen debet aan. Deze groep is ondervertegenwoordigd in het verrichten van maatschappelijke activiteiten, zoals vrijwilligerswerk. Ook mensen die verhuizen lopen het risico een terugval te hebben in de sociale contacten. Maar juist om die reden blijken zij extra open te staan voor het verrichten van vrijwilligerswerk als zij daarvoor worden benaderd.

Ad. 3 ‘Het stimuleren van saamhorigheid en solidariteit tussen (oudere) burgers’, oftewel het gemeenschapsgevoel aanwakkeren en bevorderen dat vitale en kwetsbare ouderen oog en oor hebben voor elkaar, is sowieso lovenswaardig. Met het oog op een reductie van het aanbod van professionele ouderenzorg is het ook noodzakelijk.

 

Uitgangspunten van ouderenbeleid

De ontwikkeling en realisatie van ouderenbeleid is gestoeld op de volgende uitgangspunten:

  • Ouderenbeleid is gericht op zowel vitale als kwetsbare ouderen

 

Voor vitale ouderen is het van belang dat de vitaliteit zo lang mogelijk behouden blijft. Een gezond leefpatroon, een veilige en vertrouwde omgeving, aangename sociale contacten en een zinvolle dagbesteding zijn daarvoor belangrijke voorwaarden.

Voor kwetsbare ouderen is het van belang dat de regie over het eigen leven zolang mogelijk behouden blijft. Een gezonde levensstijl, comfortabele woning en woonomgeving, waar ouderen met beperkingen letterlijk en figuurlijk uit de voeten kunnen, de nabijheid van mensen met wie contact kan worden onderhouden en die de helpende hand willen toesteken en het kunnen deelnemen aan zinvolle activiteiten zijn daarvoor belangrijke voorwaarden.

 

  • Ouderenbeleid vereist een ‘netwerkaanpak’, een gezamenlijk optrekken van bij ouderenbeleid betrokken partijen

 

Partijen die dicht bij de ouderen staan vervullen een belangrijke rol om het drie sporen beleid tot een succes te maken. Voor kwetsbare ouderen, die ondersteuning behoeven vanwege beperkte zelfredzaamheid, is de bereikbaarheid en beschikbaarheid van mantelzorgers, informele hulpverleners en professionele hulpverleners van belang. Om deel te kunnen nemen aan buurt- of verenigingsactiviteiten, (culturele) evenementen of themabijeenkomsten is de inzet van vrijwilligers of vitale buurtgenoten van belang. Om deelname aantrekkelijk en mogelijk te maken, is het nodig dat verenigingen zich rekenschap geven van de in het behoefteonderzoek vermelde redenen waarom ouderen niet deelnemen. Gebrek aan vervoer, een niet op de behoefte van ouderen afgestemd programma, hoge kosten voor deelname of het moeten zorgen voor de partner zijn veelgenoemde motieven, waar verenigingen niet aan voorbij moeten gaan.

 

Om op het spoor te komen van kwetsbare ouderen die ondersteuning behoeven, is een samenspel vereist tussen huisartsen, paramedici en organisaties of verenigingen die een ondersteunende rol kunnen vervullen. Doorverwijzing van kwetsbare ouderen of hen attenderen op het aanbod van welzijnsorganisaties, of van ouderenbonden, het aan huisartsen en paramedici beschikbaar stellen van informatiemateriaal van deze organisaties of bonden, of het meer in algemene zin aangeven van problemen van ouderen waar medici en paramedici vaak mee te maken krijgen, en die om inzet van maatschappelijke organisaties vragen, zijn laagdrempelige mogelijkheden om het samenspel invulling te geven.

Ook het interesseren van vitale ouderen voor het verrichten van vrijwilligerswerk, of het bevorderen van ‘buurtzorg’ vraagt om een ‘netwerkaanpak’, een afstemming en rolverdeling tussen verschillende partijen.

Het creëren van een overlegstructuur waarbij alle betrokken partijen een paar maal per jaar bijeenkomen, kan een belangrijke impuls geven aan de netwerkaanpak. Daarnaast zal de professionele zorg haar rol moeten herijken. Informele zorg, eerstelijnszorg en tweedelijnszorg zullen nauw moeten samenwerken. Enerzijds zullen informele zorgverleners meer dan tot nu toe geïnstrueerd en geadviseerd moeten worden door professionele zorgverleners, anderzijds zal de professionele zorg als achterwacht en opvang(plek) moeten dienen als de inzet en vaardigheden van de informele zorgverleners een grens bereikt hebben.

 

Om vitale ouderen te bereiken en te interesseren voor maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk kunnen seniorenverenigingen, waaronder in Mill en Sint Hubert met name de KBO, een sleutelrol vervullen. Veel ouderen zijn lid van seniorenverenigingen. Voor ouderen met een laag inkomen is de seniorenvereniging vaak de enige vereniging waar zij (nog) lid van zijn en het is een van de weinige verenigingen waar zowel jongere als oudere ouderen lid van zijn. Daarnaast heeft de seniorenvereniging door de samenstelling van het ledenbestand en de sociale netwerken van haar leden doorgaans een goed beeld van de senioren die niet tot haar leden behoren.

 

 

  • Ouderenbeleid gaat uit van het principe dat omgevingsfactoren, die een belemmerende of bevorderende invloed uitoefenen op de zelfredzaamheid, maatschappelijke participatie en saamhorigheid tussen mensen, moeten worden opgeheven, respectievelijk moeten worden versterkt

 

Uit het behoefteonderzoek wordt duidelijk welke factoren een belemmerende invloed uitoefenen op de zelfredzaamheid, de maatschappelijke deelname en de saamhorigheid van mensen. Woningen met veel drempels en trappen vormen een steeds groter obstakel en veroorzaken valincidenten naarmate de leeftijd vordert. Aanpassingen in de woning zijn dan nodig. Vooral ouderen in de leeftijdscategorie van 70 tot 79 jaar schuiven een voornemen of besluit daartoe voor zich uit, vaak omdat een cumulatie van beperkingen niet voldoende onder ogen wordt gezien, of omdat de partner nog compenserend kan optreden. Minstens één op de vijf ouderen van Mill en Sint Hubert geven in het behoefteonderzoek aan dat de leefbaarheid van de directe woonomgeving en buurt ook een belangrijke invloed heeft op hun zelfredzaamheid en maatschappelijke deelname. Lawaaihinder, een te grote verkeersdrukte, het gemis van belangrijke winkelvoorzieningen, van rustbanken en openbare toiletten, en geen, onvoldoende, moeilijk bereikbaar openbaar vervoer, maar ook gebrek aan financiën, leiden ertoe dat ouderen thuis blijven. Een terugloop aan sociale contacten, toenemende verhuisneigingen, vooral van de groep van 80 jaar en ouder, en minder deelname aan verenigingsactiviteiten zijn het gevolg.

 

Het verenigingsleven en sociaal culturele instellingen kunnen met een bijstelling van hun inhoudelijk aanbod, met het regelen van vervoer naar hun activiteiten, met de tijden waarop activiteiten plaatsvinden en met de prijs voor de activiteiten bijdragen aan het uit een sociaal isolement halen van ongeveer 5 procent van de ouderen uit Mill en Sint Hubert die zich daar in bevindt en ook aantrekkelijk worden voor de ruim 10 procent van ouderen die om voornoemde redenen thuisblijft. Gezondheidsvoorlichting, themabijeenkomsten over het bevorderen van de zelfredzaamheid en informatie over verschijnselen van ouderdomsziekten, zoals van dementie, hebben de belangstelling van grote groepen ouderen, zeker ook van kwetsbare ouderen.

 

Veel ouderen vanaf 80 jaar hebben te kampen met fysieke problemen, die tot gevolg hebben dat de mogelijkheden om te gaan en staan waar men wil, om zelf het huishouden te doen en volledig voor zichzelf te zorgen, afnemen. In Mill en Sint Hubert is het vooral deze groep die het contact met de buurt zoekt en op de buurt betrokken is. De saamhorigheid met de buurt kan versterkt worden door buurtgenoten faciliteiten te verschaffen, bijvoorbeeld voor het bevorderen van contacten met ouderen die ondersteuning behoeven of voor het aangaan van online contacten. Als ouderen te maken krijgen met beperkingen betekent dat nog niet dat ze geen bijdrage meer kunnen hebben aan de samenleving. Wederkerigheid is niet aan leeftijd gebonden. Technische, administratieve en sociale vaardigheden die ouderen met beperkingen bezitten, kunnen zin en voldoening geven aan het leven als ze worden ingezet voor anderen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  1. Beleidvoornemens en actoren

In deze paragraaf worden de visie op en uitgangspunten van het ouderenbeleid, aansluitend bij het drie sporen beleid, nader geconcretiseerd.

3.2.1 Spoor 1: Het stimuleren van zelfredzaamheid van ouderen

Lichaamsbeweging en gezond gedrag

  • Continueer de themabijeenkomsten waarin dieper wordt ingegaan op gezondheid en op lichamelijke, geestelijke en sociale veranderingen die met de levensfase ouderdom te maken hebben.

Actoren: KBO’s; SWOM; huisartsen (Syntein) en paramedici.

 

  • Continueer de jaarlijkse gezondheidsdag waar het belang van gezond gedrag op verschillende manieren onder de aandacht wordt gebracht.

Actoren: SWOM/Radius.

 

  • Bevorder nog meer het bewegen voor ouderen van alle leeftijdscategorieën, onder meer door de ontwikkeling van een beweegtuin op een gemakkelijk bereikbare en herkenbare plek in het dorp, die ook voor andere doelgroepen dan ouderen kan worden benut. Stimuleer daarbij bewegingsprogramma’s die met een vaste regelmaat door professionele trainers gegeven worden. Breng de vervoersdienst van SWOM onder de aandacht voor vervoer van huis naar de beweegtuin van senioren die moeilijk ter been zijn.

Actoren: SWOM; maatjesprojecten Actieradius; ouderenwerk; sportverenigingen en fysiotherapie praktijk, op basis van het sportstimuleringsprogramma van NOC/NSF..

 

  • Breng de samenwerking van SWOM met Fitland ten behoeve van een aanbod van indoor fitness voor ouderen nog meer onder de aandacht.

Actor: SWOM.

 

  • Geef de gemeente, in haar streven Mill en Sint Hubert meer als toeristisch gebied op de kaart te zetten, het imago van ‘fitland voor ouderen’ mee.

Actoren: Gemeente; SWOM; Fitland.

 

Wooncomfort

  • Nodig woningstichting Mooiland en andere ontwikkelaars van woningen voor ouderen uit een proactief beleid te voeren, gebaseerd op de geconstateerde en toenemende diversiteit aan woonbehoeften van mensen van 60 jaar en ouder.

Actoren: Woningstichting; Gemeente: WWZ coördinatiepunt.

 

 

 

  • Geef ruimte aan de behoefte om het aantal kangoeroewoningen of mantelzorg- of mobiele zorgwoningen uit te breiden, waardoor kwetsbare ouderen bij hun kinderen kunnen blijven wonen.

Actoren: Woningstichting, Gemeente.

 

  • Investeer in domotica die het wooncomfort verhoogt, senioren met fysieke beperkingen en met geheugenstoornissen (dementie) de mogelijkheid biedt langer thuis te kunnen blijven wonen en die het mogelijk maakt online contacten, bij voorkeur beeldspraakverbindingen, te hebben over vragen m.b.t. de zelfredzaamheid. Sluit bij de ontwikkeling hiervan aan bij de lopende gedachtevorming van de KBO’s en Pantein ter zake Co-Living en schakel het computer opleidingsteam van SWOM is.

Actoren: Coördinatiepunt Wonen, welzijn, zorg;Actieradius; RMC; Woningstichting; Zorgaanbieder Pantein; SWOM; KBO’s; Gemeente.

 

3.2.2 Spoor 2: Het stimuleren van deelname van ouderen aan maatschappelijke verbanden en activiteiten

Het mobiliseren van mensen

  • Ontwikkel buurtprojecten die tot doel hebben het ‘geloof in eigen kunnen’ van buurtgenoten van 60-70 jaar te behouden en te versterken, door hen bij te laten dragen aan projecten die de buurt verfraaien, verlevendigen of veiliger maken. Ga uit van het principe van co-creatie, waarbij de prioriteiten van ‘aanpak van de buurt’ mede bij de buurtbewoners wordt gelegd.

Actor: KBO’s; dorpsraden; Radius (actieradius en opbouwwerk).

 

  • Stel een buurtgebonden budget ter beschikking om de sociale cohesie te versterken, nieuwe buurtbewoners te introduceren, kwetsbare buurtgenoten bij buurtactiviteiten te betrekken en buurtgenoten informele diensten en zorg te laten leveren. Bepaal het budget op basis van concrete doelstellingen en output.

Actor: KBO’s, dorpsraden.

 

  • Interesseer ouderen die nog geen ervaring hebben met vrijwilligerswerk voor bestaande en nieuwe kort cyclische vrijwilligersactiviteiten, zoals de aanleg van een beweegtuin, zorg dragen voor vervoer van mensen, een rol vervullen om de veiligheid in de buurt te vergroten, het doen van klusjes ed. Maak daarbij gebruik van het coördinatiepunt van Actieradius.

Actoren: SWOM; Actieradius: KBO’s:, PGM en SHC.

 

  • Ondersteun ‘kartrekkende’ bestuursfuncties in het vrijwilligerswerk door een structureel aanbod van scholing of deskundigheidsbevordering en door het, op ad hoc basis, geven van een professionele (eventueel ambtelijke) bijstand.

Actor:(Actie Radius/SWOM;KBO;s; Gemeente.

 

  • Specialiseer een groep vrijwilligers tot vertrouwenspersonen en tot mediator, die de sociale vaardigheid hebben om in vertrouwen te worden genomen, die in staat zijn levensvraagstukken te bespreken met ouderen die dat wensen en die het netwerk hebben om ouderen, desgewenst, nieuwe contacten te laten opdoen. Communiceer hun mogelijke rol met betrokken instanties, waaronder huisartsen en paramedici.

Actor: SWOM; KBO’s; Huisartsen; Radius (actieradius)..

 

  • Benut het gegeven uit het behoefteondezoek, dat het merendeel van de 80-plussers geen vrijwilligerswerk (meer) verricht, terwijl meer dan de helft van deze groep lid is van een ouderenbond en aangeeft zich gezond te voelen. Benader ouderen uit deze groep persoonlijk voor het doen van vrijwilligersactiviteiten, zoals het bieden van gezelschap aan kwetsbare ouderen.

Actor: KBO’s.

 

  • Breng ouderen die zijn verhuisd binnen 2 maanden na hun verhuizing een bezoek. Informeer hen over de nieuwe buurt en over mogelijkheden om vrijwilligerswerk te gaan doen.

Actor: KBO’s.

 

  • Stimuleer sport- recreatie en sociaal-culturele verenigingen om een zogenoemd ‘plusprogramma’ , oftewel een programma dat op de doelgroep ouderen is gericht, te ontwikkelen.

Actoren: Actieradius;Verenigingen: KBO’s; Gemeente

 

Het bevorderen van de leefbaarheid

  • Behandel in het Platform Verkeer en het Platform Gehandicapten het verzoek van ouderen om rustbanken te plaatsen op plekken waar veel ouderen wonen en/of naar toe gaan.

Behandel ook het verzoek om de staat van voetpaden die naar belangrijke voorzieningen leiden te verbeteren en verbeter de veiligheid van door ouderen veel gebruikte oversteekplaatsen.

Actoren: Gemeente Mill, Platform Verkeer en Platform Gehandicapten Mill (PGM)l.

 

  • Onderzoek de mogelijkheid van een boodschappenbus om aan de behoefte van minder mobiele ouderen aan ‘winkelen aan huis’ tegemoet te komen.

Actor: SWOM.

 

  • Breng op basis van een ‘sociaal architectuur plan’, waarbij een analyse wordt gemaakt van vervoersbewegingen, de vervoersproblemen en vervoersmogelijkheden voor en de vervoerswensen van senioren gedetailleerd in beeld.

Actoren: Gemeente Mill; KBO’s, SWOM; PGM; externe deskundigheid.

 

  • Bevorder, met steun van vrijwilligers, de ontwikkeling van kleinschalig wonen in de kernen met een steunpunt of wijkpunt voor de continue bereikbaarheid en periodieke aanwezigheid van medische, paramedische en verpleegkundige disciplines.

Actoren: Woningstichting; Zorgaanbieder; KBO’s; SWOM.

 

      1. Spoor 3: Het stimuleren van saamhorigheid en solidariteit tussen oudere burgers

Steun aan kwetsbare ouderen

  • Besteed continue aandacht aan de belastbaarheid en begeleiding van mantelzorgers door naar de aanwezige respijtzorgvoorzieningen en naar het Steunpunt mantelzorg te verwijzen, door informatie te verstrekken over dementie en ouderdomsgerelateerde ziekten en verschijnselen, door lotgenotenbijeenkomsten te beleggen en door vaste tijdelijke vervangers thuis te regelen. Regel ook de grenzen van de inzet van informele zorgverleners en professionele zorgverleners.

Actoren:Steunpunt mantelzorg; SWOM; KBO’s; Zorgaanbieder; huisartsen en paramedici.

 

  • Onderzoek de mogelijkheid van een ‘early warning system’ of ‘burgernet’ voor thuiswonende kwetsbare ouderen die een beperkt sociaal netwerk hebben. Betrek de zorgverzekering er bij voor de investering in een pilot project.

Actoren: Gemeente; KBO’s; SWOM; huisartsen, zorgverzekeraar.

 

  • Hef de onbekendheid over de mogelijkheden en bereikbaarheid van de reductieregeling op. Informeer de doelgroep voor de reductieregeling met behulp van verschillende media en organiseer jaarlijks bijeenkomsten voor ouderenbonden, verenigingen en organisaties waarin de regeling wordt toegelicht.

KBO’s; Gemeente.

Bevorderen van innovatie en van gemeenschapszorg

  • Breng een Lokaal Beraad tot stand , een overleggroep die 2 x per jaar bijeenkomt en waarin alle partijen vertegenwoordigd zijn die een rol vervullen op het gebied van welzijns-, woon- en zorgbeleid voor ouderen, inclusief de huisartsen en de paramedische discipline. Het Lokaal Beraad heeft tot doel tot een goede afstemming te verkrijgen tussen de inbreng van de verschillende partijen. Zo kan de huisarts patiënten die met huiselijk geweld te maken krijgen doorverwijzen naar de welzijnsorganisatie, een vertrouwenspersoon onder de aandacht brengen, of hij kan een mantelzorger attenderen op mantelzorgondersteuning. Het Lokaal Beraad kan ook de voortgang van het ouderenbeleid evalueren en op basis daarvan gevraagd en ongevraagd advies geven.

Actoren: Gemeente;Klankbordgroep; Dorpsraden;Woningstichting; Burgerparticipatie Raad; SWOM:Radius; KBO’s; huisartsen;zorgaanbieders; paramedische disciplines; SHC; bedrijfsleven.

 

  • Stimuleer zorginnovatieve ideeën, zoals een vroegtijdige signalering van kwetsbaarheid, en van initiatieven die gemeenschapszorg of een burgernet op een hoger plan brengen. Betrek het onderwijs, het verenigingsleven en het zakenleven daarbij en reik op de jaarlijkse gezondheidsdag prijzen uit voor de beste ideeën.

Actoren: SWOM; Radius; KBO’s; Gemeente.

  1. Van plan naar aanpak.

Realisatie en financiering van beleid

In hoofdstuk 4 zijn 26 beleidsvoornemens geformuleerd. Sommige voornemens zijn al ‘onderhanden werk’: ze zijn al eerder beschreven; er wordt al dienovereenkomstig gehandeld; ze zitten in de (ambtelijke) molen of ze worden verder uitgewerkt. In het laatste geval zijn in deze beleidsnota hier en daar aandachtspunten voor het vervolgtraject meegegeven. Een bestendiging van beleid betekent ook dat al eerder keuzes zijn gemaakt voor de financiering ervan. Alhoewel ook gemeenten worden getroffen door bezuinigingen betekent dit dat eerder een financieel draagvak is gecreëerd voor de uitvoering van beleid en dat ook overeenstemming is bereikt over de verdeling van de rol en de verantwoordelijkheid van de verschillende partijen. Bezuinigingen kunnen tot enige herziening van die afspraken leiden.

Een aantal voornemens is nieuw. Dat betekent niet dat onduidelijkheid bestaat over de rolverdeling. Achter elk voornemens is aangegeven welke partijen een rol hebben te vervullen. Het adopteren van nieuwe beleidsvoornemens kan betekenen dat een heroverweging moet plaatsvinden over het takenpakket dat bijvoorbeeld een organisatie als SWOM, Radius, of een KBO tot zich neemt. Maar dat geldt ook voor de gemeente of voor een woningstichting. Sommige beleidsvoornemens doen een beroep op de compensatieplicht die de gemeente heeft in het kader van de Wmo, andere beleidsvoornemens doen een beroep op de woningstichting om te investeren in leefbaarheid, hetgeen ook tot hun kerntaak behoort. Ook een zorginstelling als Pantein, die ‘zorg leefbaarheid’, oftewel een integraal aanbod van zorg, welzijn en wonen, als missie heeft, krijgt in de geformuleerde beleidsvoornemens volop kansen om deze missie (verder) in praktijk te brengen.

Een aantal voornemens is ook tamelijk vernieuwend, bijvoorbeeld waar het gaat om de ontwikkeling van een burgernet, van een ‘early warning system’ of van andere communicatiesystemen. Vernieuwend zijn betekent vaak ook dat de financiering een vraagteken is. Daar waar het waarschuwingssysteem gebruikt wordt bij ouderen die voor zorg zijn geïndiceerd, kunnen middelen bij de zorgverzekering worden aangesproken. Maar ook voor zorgaanbieders is het interessant om beschikbaar te zijn als professionele achterwacht, waar de deskundigheid en inzet van vrijwilligers ophoudt.

Weer andere voornemens zijn dusdanig vernieuwend, dat de gemeente Mill en Sint Hubert er uniek en mogelijk trendsettend mee is. Dit geldt onder meer voor het beleidsvoornemen om een buurtgebonden budget te verstrekken. Op basis van een nadere analyse van de leefbaarheid van de buurt, de sociale cohesie in de buurt en de mate van maatschappelijke participatie van ouderen in de buurt kan een, bijvoorbeeld aan de KBO, toegewezen budget worden verstrekt op basis van prestatieafspraken. De budgetruimte zou in de gemeentelijke financiën gevonden moeten worden in de begroting van verschillende diensten.

Netwerkregie voor de realisatie van het ouderenbeleid

De realisatie van de beleidsvoornemens van het ouderenbeleid is een verantwoordelijkheid van velen, zoals valt op te maken uit de vele actoren die zijn genoemd. Dat is een goede zaak, maar draagt ook het risico in zich van ‘langs elkaar heen werken’ of van een te strikte afbakening van taken en verantwoordelijkheden. Om die reden is het gewenst dat de klankbordgroep blijft voortbestaan, een uitvoeringsagenda bepaalt en de voortgang van de beleidsuitvoering bewaakt en evalueert, waarbij wordt verondersteld dat, net als bij de totstandkoming van de nota ouderenbeleid, elk lid van de klankbordgroep het algemeen ouderenbelang laat prevaleren boven het belang van de organisatie door wie hij of zij is afgevaardigd. Om die rol goed te kunnen vervullen, is noodzakelijk dat de klankbordgroep wordt aangevuld met een vertegenwoordiger van de woningstichting, van de zorgaanbieder en van het huisartsencollectief.

Tweemaal per jaar beraadslaagt de klankbordgroep over de uitvoering van het ouderenbeleid met het Lokaal Beraad. De klankbordgroep stelt de agenda voor dit overleg op en bespreekt ontwikkelingen in het werkveld van de leden van het Lokaal Beraad die invloed hebben op de realisatie van de beleidsvoornemens. De inbreng van het Lokaal Beraad wordt betrokken bij de evaluatie door de klankbordgroep van de uitvoering van het ouderenbeleid, dat eveneens tweemaal per jaar plaatsvindt.

Communicatie

Met de totstandkoming van de nota ouderenbeleid is een belangrijke stap gezet. De communicatie hierover vindt binnen de gemeente plaats in het college, in commissies en in de Raad. De uitvoering van de beleidsvoornemens is een grotere stap, die om continue, gerichte communicatie vraagt met partijen die het ouderenbeleid aangaan. In de eerste plaats met de ouderen zelf. Om enerzijds recht te doen aan de deelname van veel ouderen aan het behoefteonderzoek en om hen anderzijds te informeren over de nota ouderenbeleid is het aan te bevelen in alle vier de kernen bijeenkomsten te organiseren waar de nota wordt toegelicht.

Vervolgens is het aan te bevelen dat de inhoud van de nota ouderenbeleid wordt gecommuniceerd met de achterban van de leden van de klankbordgroep, voor zover dat bij de opbouw van de nota nog niet (voldoende) is gedaan. Daarnaast is het aan te bevelen dat na de behandeling in bestuurlijke kringen een eerste Lokaal Beraad wordt belegd, waarin door de voorzitter van de klankbordgroep de nota ouderenbeleid wordt toegelicht en waarin om medewerking en samenwerking wordt gevraagd voor de uitvoering van de beleidsvoornemens.

Aan te bevelen is op de gemeentelijke infopagina regelmatig verslag te doen van de voortgang van de uitvoering van het ouderenbeleid. Aan de Burgerparticipatie Raad kan worden gevraagd een poll op hun website te plaatsen, die ouderen de mogelijkheid biedt hun opvattingen over de realisatie van het ouderenbeleid te ventileren.

Tot slot wordt aanbevolen een communicatieplan op te stellen waarin is aangegeven op welk moment, aan wie en door wie informatie wordt verschaft over de inhoud van de nota ouderenbeleid, over de beleidsuitvoering en over de voortgang en evaluatie.

 

 

 

 

 


 

Terug naar de startpagina